"Wie in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven."



De Verlossing

Al is het de mens die zich van God heeft afgekeerd en doorgaat met zondigen tegen God, het is God Zelf die vanuit Zijn wonderlijke liefde voor Zijn schepselen het initiatief neemt om de relatie met de mens te herstellen  

In de voorgaande studie hebben we stilgestaan bij de Bijbel (wat is dat nu voor een Boek?), bij de schepping van hemel en aarde (de wereld waarin we nu leven) en bij de val van de mens (de breuk tussen God en mens).
 

Het centrale thema van de Bijbel

De redding van de mens door Jezus Christus en de liefde en genade van God die hierdoor openbaar komt, is het centrale thema van de Bijbel. Het is er vol van. We zullen in deze stap zien hoe dit tot uiting komt. Het is belangrijk om in de eerste plaats de rampzalige positie van de mens te beseffen. Want wat is er dan zó verschrikkelijk dat de mens blijkbaar gered moet worden? Misschien ervaart u helemaal geen probleem!
 

Rampzalige werkelijkheid

De rampzalige positie van de mens waaruit het redding nodig heeft is dat de mens door de zonde in een verbroken en vijandige relatie met God verkeert. Door de zonde is er scheiding gekomen tussen God en mens (Jesaja 59:2). En omdat de mens gescheiden is van God kan het ook niet meer tot zijn bestemming komen. Het echte geluk vindt de mens namelijk in het leven met God. Zo heeft God ieder mens gemaakt, zonder uitzondering, dus ook u die dit leest. We proberen nog wel geluk te vinden in de dingen die de wereld biedt maar het laat ons uiteindelijk leeg en teleurgesteld achter. Dat is het rationele probleem, door de zonde is er geen relatie met God mogelijk en kan de mens niet tot zijn bestemming komen. Een luxe jacht, miljoenen op de bank, roem en eer, de verhalen maken ons meer dan duidelijk dat echt geluk daar niet in gevonden wordt. Hoe vaak eindigt het leven van iemand met ogenschijnlijk materieel succes niet in wanhoop!

Er is echter niet alleen een relationeel probleem, er is ook een juridisch probleem. God als Rechter van alle mensen zal de zonden van de mens bestraffen. Onze zonden verdienen straf. Ons liegen en bedriegen, ons beschadigen van anderen met woorden en daden, ons losbandig gedrag, ons negeren en onteren van God. We staan schuldig ten opzichte van Gods wet die Hij gegeven heeft en die volledig in overeenstemming met Gods volmaakt goede wezen is (lees deze in Exodus 20). In Deuteronomium 27:26 staat: “Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet uitvoert door ze te houden!” Zoals we van een rechtvaardige aardse rechter verwachten dat hij misdaden niet door de vingers ziet, zo kan en zal God omdat Hij volmaakt rechtvaardig is, de zonde ook niet door de vingers zien maar zal Hij de gepaste straf opleggen aan een ieder die Gods wet heeft overtreden. We moeten hierbij bedenken dat het niet gaat om het overtreden van een wet die op zichzelf staat. Alsof God gebonden is aan een wet. Nee, Gods wil en wezen worden uitgedrukt in de wet. Door de wet te overtreden handelt de mens in strijd met Gods wil.
 
Ten derde is er ook nog iets met de mens zelf aan de hand. Doordat de mens afgesneden is van God is het één brok egoïsme geworden. Zoals een plant verdord wanneer het afgesloten is van water, zo verdord ook de mens die afgesloten is van God. Hij is geheel en al bedorven. Het wil en kan God niet eens dienen. Het verstand is verduisterd en hij begrijpt niet de dingen die van God zijn (1 Korinthe 2, Efeze 4:18). Zo ernstig is het met de mens gesteld.
 
Hopelijk hebt u nu een besef van de rampzalige positie van de mens. Moeilijk valt in woorden uit te drukken hoe ingrijpend het is dat de mens zich heeft afgekeerd van zijn Schepper. We zouden een vergelijking kunnen trekken met hoogverraad. Hoe zwaar wordt deze misdaad bestraft. Je eigen landgenoten verraden! Welnu, de mens heeft zijn eigen Schepper verraden. Of we zouden een vergelijking kunnen maken met majesteitsschennis. Het opzettelijk beledigen van de koning kan je op een paar jaar gevangenisstraf komen te staan. Hoeveel erger nog is het om de God van hemel en aarde stelselmatig te beledigen! Toch schieten deze vergelijkingen tekort. We hebben slechts een begin van besef van de ergheid van de zonde en van onze verkeerdheid wanneer we iets van Gods hoogheid, grootheid en heiligheid gaan zien.
 

Eeuwige straf

De grootheid van onze zonde reflecteert zich ook in de straf die er op volgt. De mens die gezondigd heeft, waar zonde aan kleeft, zal niet in Gods nabijheid kunnen zijn, niet in Zijn goedheid en zegeningen kunnen delen en daarom van Hem verstoten worden naar een plek waar God niet is. Waar geen straaltje goedheid is want alle goedheid komt van God. De Bijbel spreekt van een plek van duisternis waar gehuil en tandengeknars is (Mattheus 8:12, 13:42, 22:13, 24:51, Openbaring 20:12-15). Geen verkoeling zal daar zijn en geen enkele uitzicht op verbetering. De straf is eeuwig en onherroepelijk.
 
Dit vooruitzicht geldt ieder mens. Al in het eerste Bijbelboek van de Bijbel staat: “En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren” (Genesis 6:5). En in Psalm 53 staat: “God heeft uit de hemel neergezien op de mensenkinderen, om te zien of er iemand verstandig was, iemand die God zocht. Ieder van hen heeft zich afgekeerd, tezamen zijn zij verdorven, er is niemand die goed doet, zelfs niet één.” De hele mensheid is besmet met zonde en goede daden maken onze verkeerde daden niet ongedaan (zo is het in de wereldse rechtspraak trouwens ook!). Dit maakt dat ieder mens onherroepelijk afstevent op het oordeel van God. We hebben toch immers allemaal een lange lijst van zonden openstaan? Hoe moet dat dan nu? Gaat dan heel de mensheid de eeuwige pijniging tegemoet?!

Toch hoop!

Gelukkig is dit nu het wonderlijke en bevrijdende nieuws wat God ons door de Bijbel brengt: Er is toch hoop voor zondaren! God Zelf zorgt voor redding door Zijn Zoon Jezus Christus. Hiervan zongen de engelen in de kerstnacht: “Vrede op aarde en in mensen een welbehagen.” Dit is het evangelie(=goede nieuws) wat God door de Bijbel ook aan u wil meedelen! U kunt verlost worden van uw zonden, verzoend worden met God en een eeuwig leven bij God ontvangen!
 

Het evangelie in het Oude Testament

Vol verwachting ziet het eerste deel van de Bijbel, het Oude Testament, uit naar de komst van deze Redder en Verlosser. Nadat de mens in de zonde gevallen was had God meteen Zijn reddingsplan klaar en op veel plaatsen in het Oude Testament vinden we beloften hiervan. In de voorgaande studie hebben we er al één gezien: “En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen” (Genesis 3:15). Dat Nageslacht is de Heere Jezus, de Bijbel noemt Hem onder andere: Redder, Messias, Heiland, het Lam van God.
 

Offerdienst

De belofte van de komst van Jezus Christus zien we niet alleen in uitspraken van God of van profeten maar ook in de offerdienst die God voor Israël had ingesteld. De offers van dieren wezen ten tijde van het Oude Testament op de noodzaak van verzoening en naar een plaatsvervangend offer voor onze zonden. Nooit zouden offers van dieren echter de zonde van de mens werkelijk weg kunnen nemen. Ze verwezen naar het noodzakelijke offer wat eenmaal gebracht zou worden. Namelijk, het offer van de Zoon van God, Jezus. In de Bijbel wordt Hij "het Lam van God" genoemd. Gods offer, wat Hij Zelf zou brengen om de mens met Zichzelf te verzoenen.
 

Jezus' komst

“De geboorte van Jezus Christus was nu als volgt. Terwijl Maria, Zijn moeder, met Jozef in ondertrouw was, bleek zij, nog voordat zij samengekomen waren, zwanger te zijn uit de Heilige Geest. Jozef, haar man, wilde haar onopgemerkt verlaten, omdat hij rechtvaardig was en haar niet in het openbaar te schande wilde maken. Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom en zei: Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, bij u te nemen, want wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest; en zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Dit alles is geschied opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet, toen hij zei: Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en u zult Hem de naam Immanuel geven; vertaald betekent dat: God met ons” (Mattheus 1:18-23).
 
Hier lezen we dat Maria op bovennatuurlijke wijze zwanger is geworden door de Heilige Geest, niet door een mens. Dat is belangrijk want dat betekent dat Jezus niet uit het zondige (en dus daarmee besmet) geboren is. God is in de Heere Jezus mens geworden, Hij heeft dus onze natuur aangenomen, met uitzondering van de zonde. Volmaakt en heilig! De Bijbel zegt er het volgende over: “Want zo'n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven” (Hebreeën 7:26). De Hogepriester Aaron, die verzoening voor het volk moest doen, moest nog voor zijn eigen zonden offeren, maar deze Hogepriester, Jezus, niet!
 
Tegelijk is Christus het volmaakte offerlam. Als offerlam is Jezus voor ons tot zonde gemaakt en gekruisigd in plaats van u en mij. Jezus is in onze plaats gaan staan en heeft de straf, die u en ik verdiend hebben vanwege onze zonde, op Zich genomen. God heeft Zijn toorn over onze zonden op Jezus uitgestort!
 
Dit is nu onze redding: Jezus Christus, die Zijn leven gegeven heeft tot in de dood, opdat door het geloof in Hem, God onze zonden kan vergeven en eeuwig leven schenken. Dat is genade bij God, totaal onverdiend, het is een gave van God:
 
“God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd.
Wij zijn dan gezanten namens Christus, alsof God Zelf door ons smeekt. Namens Christus smeken wij: laat u met God verzoenen. Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (1 Korinthe 5:19-21).
 
“Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!” (Johannes 1:29).